Toelichting bijenkalender
De bedoeling van dit overzicht is foto's met eigen beschrijvingen te geven van de bijensoorten die op deze website worden genoemd. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van eigen foto, maar dat duurt nog enige tijd. Om in de behoefte te voorzien en gehoor te geven aan de vele verzoeken die vooral tijdens lezingen en workshops zijn gedaan wordt voor een deel volstaan met foto's die op http://www.wildbienen.de en op http://www2.pms-lj.si/andrej/apoidea.htm en op--zijn geplaatst. De komende maanden zullen voor ca. 40 bijensoorten eigen foto's worden geplaatst. Vanaf maart 2011 zal dat worden voortgezet. Dit geldt ook voor de beschrijvingen van de bijen. De eerste prioriteit zijn de drachtplanten zelf.

In Nederland zijn 338 soorten bijen waargenomen. Het overgrote deel van deze soorten is zeer zeldzaam, reeds in Nederland uitgestorven of ooit een keer waargenomen (verzameld).  Deze soorten worden in de bijenkalender zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten.

De bijenkalender is in hoofdzaak gebaseerd op praktijksituaties buiten de natuurgebieden. In de eerste plaats op eigen onderzoek.

  • Doctoraalonderzoek  naar Maskerbijen in Nederland (Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (Leiden, tegenwoordig Naturalis) (1980-1984)
  • Onderzoek van de spoorwegvegetatie bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer (1982-1990)
  • Promotieonderzoek naar stedelijk groen en wilde bijen (Alterra/Wageningen Universiteit) (1990-2000) 

In totaal gaat het om ca. 150 soorten wilde bijen. Als bij het landschaps- en vegetatiebeheer met deze 150 soorten wilde bijen rekening wordt gehouden,  kunnen de bijen die niet op de bijenkalender staan hier ook van profiteren.

Voor sommige bijen is ook gebruik gemaakt van de Voorlopige Atlas van de Nederlandse bijen (Peeters, M.j., I.P. Raemakers & J. Smit 1999). Daar zijn ook de tabellen op gebaseerd. De uiterste vliegperiode zijn buiten beschouwing gelaten. De meeste bijen vliegen in zeer geringe aantallen 1 of 2 weken eerder dan de bijenkalender aangeeft en ze vliegen over het algemeen ook nog een aantal weken door; eveneens in zeer kleine aantallen.

De bedoeling van de bijenkalender is dat terreinbeheerders,  groenbeheerders en tuinbezitters een idee krijgen welke bijen er in een bepaalde periode actief zijn. Vegetatiebeheer in deze actieve periode kan desastreuze gevolgen hebben voor de wilde bijen en bemoeilijkt bovendien het houden van honingbijen.

Deze bijenkalender is enigszins arbitrair, maar zal steeds worden bijgesteld als daar aanleiding toe is.

Voor de relatie bijen en planten wordt verwezen naar de drachtplantenkalender en vooral naar de 50 aandachtssoorten die voorzien zijn van foto’s van bijen en vlinders.  Waar bijen vliegen. Vliegen ook andere insecten waaronder vlinders, zweefvliegen, kevers, graaf- en sluipwespen.  

De komende maanden zullen de namen van de wilde bijen worden gelinkt met foto´s en beschrijvingen van deze bijen. Voorzover dat met macrolenzen haalbaar is, zullen ook details van bijen worden gegeven waarmee bijen met een loep (10x) of in het veld beter herkend kunnen worden.

Daarnaast zal voorlopig vooral gebruik worden gemaakt van http://www.wildbienen.de. Deze duitstalige website bevat zeer veel goede foto's en beknopte beschrijvingen. In mindere mate wordt gebruik gemaakt van http://www2.pms-lj.si/andrej/apoidea.htm. De foto's op deze website zijn van aanzielijk mindere kwaliteit.

Voor maskerbijen zal ook gebruik worden gemaakt van eigen tekeningen (Koster 1986).

Literatuur

Eigen onderzoek en artikelen
Voornaamste documenten die de basis vormen voor de bijen helpdesk Overige literatuur volgt in 2011
Enkle titels Expliciet voor openbaar groen
Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Groen 43, 10: 20-24.
Koster, A., 2000. Bijen in en om het openbaar groen: groenbeheer in de 20e eeuw. Groen 56, 2: 29-34.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2. Groen 56, 4: 11-16.
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2: ecologische kwaliteit ook door bijen bepaald. Bijen
Koster, A., 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen, een evaluatie van ecologisch groenbeheer. Alterra-rapport 48. Alterra, Wageningen. 220 p.
Koster, A., 2001. Openbaar groen op ecologische Grondslag. Proefschrift, Landbouwuniversiteit Wageningen. 264 p.
Koster, A. 2001). Bijen in openbaar Groen: pioniervegetaties, grasland, ruigte en beplantingen. Groen 57 (7/8): 23-29.
 
Volledig overzicht

Koster, A.,1980. Enkele gegevens over het bijengeslacht Hylaeus in Nederland in 1979 en 1980. Doctoraalverslag Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden. 65 p.

Koster, A., 1982. Onkruiden en vegetaties op terreinen van de Nederlandse spoorwegen in relatie tot beheersaspekten. Doctoraalscriptie. Vakgroep Vegetatiebeheer, Plantenoecologie en Onkruidkunde Landbouwhogeschool Wageningen. 297 p.

Koster, A., 1985. De Bijenwolf, Philanthus triangulum Fabricius, 1775 algemeen op spoorwegterreinen in Zuid-Nederland, Hymenoptera: Sphecidae. Entomologische Berichten, Amsterdam 45, 6: 75-77.

Koster, A., 1985. Spoorwegterreinen van betekenis voor plant en dier. De Levende Natuur 86, 6: 194-199.

Koster, A., 1986. Aantekeningen over de spoorwegflora en -fauna van Friesland. Vanellus 39, 5: 113-121.

Koster, A., 1986. Het genus Hylaeus in Nederland (Hymenoptera, Colletidae). Zoölogische Bijdragen 36: 1-120.

Koster, A., 1986. Meer mogelijkheden voor insekten in wegbermen. De Levende Natuur 87, 5: 154-157.

Koster, A., 1986. Sterke uitbreiding van de Gehoornde maskerbij (Hylaeus cornutus Curtis, 1831) langs het spoor in Zuid-Limburg. Natuurhistorisch Maandblad 75, 12: 235-238.

Koster, A., 1987. De Dagvlinders langs spoordijken (Lepidoptera: Rhopalocera). Entomologische Berichten 47, 3: 39-41.

Koster, A., 1987. De flora van de Nederlandse Spoorwegen. Notitie 14. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 292 p.

Koster, A., 1987. Gevolgen van het uitzetten van bijenvolken voor andere bloembezoekers no 2. Bijenteelt 89, 6: 182-184.

Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Bijenteelt 90, 3: 80-82; 90, 4:107-109.

Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Groen 43, 10: 20-24.

Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Natura 84, 6: 123-128.

Koster, A., 1988. Insektenbeheer: Gewenst beheer van sterk door de mens beïnvloede levensgemeenschappen zowel in het landelijk als in het stedelijk gebied. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 187. 112 p.

Koster, A., 1988. Mogelijkheden tot drachtverbetering langs waterkanten in het stedelijk gebied. Bijenteelt 90, 10: 271-274.

Koster, A., 1988. Natuurlijke begroeiing op spoorwegterreinen als voorbeeld van een meer natuurlijk drachtgebied. Bijenteelt 90, 10: 167-170.

Koster, A., 1988. Natuurlijke begroeiing op spoorwegterreinen als voorbeeld van een meer natuurlijk drachtgebied. Bijenteelt 90, 10: 167-170.

Koster, A., 1988. Stedelijk groen meer oecologisch beheerd? De Levende Natuur 89, 6: 162-166.

Koster, A., 1988. Vooral insekten profiteren van stedelijk groen. Tuin & Landschap 10, 7: 19-21, 23.

Koster, A., 1989. Beheer van ongewervelde diersoorten. De Levende Natuur 90, 1: 32.

Koster, A., 1989. Insektenbeheer in wegbermen en langs spoorlijnen. In: W. Ellis, Wetenschappelijke Mededeling KNNV 192; 151-161.

Koster, A., 1989. Knelpunten bij aanleg en beheer van "natuurlijke" drachtgebieden. Bijenteelt 91, 11:

Koster, A., 1991. Spoorwegterreinen, toevluchtsoord voor plant en dier. KNNV, Utrecht. 236 p.

Koster, A., 1993. Ecologisch beheer van wilde drachtplanten. Bijen 2, 5: 131-132.

Koster, A., 1993. Vademecum wilde planten. Schuyt, Haarlem. 272 p.

Koster, A., 1994. De groene omgeving: een bijdrage aan een gezonde samenleving. Schuyt, Haarlem. 184 p.

Koster, A., 1996. Bijenteelt in breed maatschappelijk perspectief. Bijen 5, 5:163-165.

Koster, A., 1996. Locaties bijzondere planten van spoorbermen geactualiseerd. IBN-DLO & NS. 87 p.

Koster, A., 1998. Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 349 p.

Koster, A., 1998. Honingbijen en wilde bijen zijn concurrenten. Bijen 7, 10: 265-269.

Koster, A., 1998. Van tegeltuin tot lusthof. Een verkenning van de mogelijkheden voor groen en natuur in groenarme straten, buurten en compacte woonwijken of Vinexlocaties. IBN-Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 391: 41 p.

Koster, A., 1999. Honingwinning in relatie tot maatschappelijke aspecten. IBN-rapport 438. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 86 p.+ bijlage.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Deventer. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 52 p.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Maastricht. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 46 p.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Nijmegen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 41 p.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Rotterdam. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 53 p.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Zutphen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 37 p.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Arnhem. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 21 p.; bijlagen.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Groningen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 19 p; bijlagen.

Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Hilversum. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 45 p.

Koster, A., 2000. Bijen in en om het openbaar groen: groenbeheer in de 20e eeuw. Groen 56, 2: 29-34.

Koster, A., 2000. Ecologisch groenbeheer in Veenendaal rond het jaar 2000; een evaluatie van het beheer in de negentiger jaren: Alterra-rapport. 76. Alterra, Wageningen. 185 p.

Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2. Groen 56, 4: 11-16.

Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2: cologische kwaliteit ook door bijen bepaald. Bijen

Koster, A., 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen, een evaluatie van ecologisch groenbeheer. Alterra-rapport 48. Alterra, Wageningen. 220 p.

Koster, A., 2000. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Barneveld en Voorthuizen. Alterra-rapport 041.73 p.

Koster, A., 2000. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Ede. Alterra-rapport 19. 86 p.

Koster, A., 2001. Bijen in het openbaar groen: pioniervegetaties, Grasland, ruigte en beplantingen. Groen 57 (7/8): 23-29.

Koster, A., 2001. Ecologisch groenbeheer. Schuyt, Haarlem. 192 p.

Koster, A., 2001. Openbaar groen op ecologische Grondslag. Proefschrift, Landbouwuniversiteit Wageningen. 264 p.

Koster, A., 2001. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Amsterdam. Alterra-rapport. (in prep.)

Koster, A., 2001. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Sneek. Alterra, Wageningen.  & Gemeente Sneek. 81 p.

Koster, A., 2003. Exotische sierplanten: voedselbron voor veel insecten. Tuin  & Landschap 25 (22):40-41.

Koster, A., 2004 . Honingbijen in  Amsterdam. Kunstraad Amsterdam.

Koster, A., 2007. Plantenvademecum voor tuin park en landschap. Fontaine Uitgevers, s-Graveland: 416 p.

Koster, A., & P. Zonderwijk 1995. Hommelbeheer is vegetatiebeheer. Natura 92, 9: 234-235.

Koster, A., A. Oosterbaan & J.H. Spijker (2001). Ontwikkeling van natuur in de Nederlandse Steden. Werkdocument 13. Alterra, Wageningen, pp. 52.