Moeraswespenorchis - Epipactis palustris ----- (Orchideeënfamilie - Orchidaceae)
Hommelplant, drachtplant, (bijenplant)
Een overblijvende (vaste) plant
Bloeiperiode: juni-augustus
Bloem: buitenste 3 bloembladen min of meer bruin, de binnenste 2 bloembladen zijn wit, de bloemlip wit of roze geaderd en bij de voet met een dooiergele vlek; bloeiwijze een tros met weinig tot veel overhangende bloemen
Blad: langwerpig en blad grijsgroen
Vrucht: doosvrucht
Hoogte: 0,15-,0,5 (0,6) m
 
 
 
 
 
Milieu en groeiplaats: natte tot zomer vochtige, vrij schrale, maar kalkhoudende zandige tot lemige bodems; gewoonlijk in grazige vegetaties, blauwgraslanden, bermen, duinvalleien, leem- en kleiputten, grazige overhoeken en braakliggende terreinen op industrie terreinen, opgespoten zandvlakten van nieuwe havengebieden; zon-tb.
Verspreiding in Nederland: vrij zeldzaam in de duinen van het Waddengebied en die van het Zuidwesten van het land en in aangrenzende blauwgraslanden; verder in industriegebieden van Rotterdamse (nog?) havengebied en Amsterdam.
Toepassing: Wettelijk beschermde soort! Wordt soms in tuincentra of op planten ruilbeurzen aangeboden. Kan zich op geschikte grond in tuinen en heemtuinen massaal ontwikkelen door uitgroeien van wortelstokken, maar zaait zich meestal niet uit. Waar de plant het goed doet, is die gemakkelijk door scheuren te vermeerderen.
Beheer: wordt in het duinvalleien door natuurlijke processen in stand gehouden (stuiven en grondwaterbewegingen) en nieuwe duinvorming; op andere plaatsen ten hoogste een maal per jaar in de vroege herfst maaien; begrazen kan bijdragen tot het in stand houden van de planten.
Wilde solitaire bijen: groefbijen (Lasioglossum).
Dracht: nectar en stuifmeel. Indicatie voor dracht: code 1.
--
Bijen met horentje en geweien
Alle Nederlandse soorten hebben 1 meeldraad die met stijl en stempels met elkaar zijn vergroeid (een stempelzuil) de meeldraad heeft 2 stuifmeelklompjes in plaats van los stuifmeel de stuifmeelklompjes zijn meestal gesteeld, het steeltje loopt uit in een kleverig hechtschijfje. Van de 3 stempels is er 1 onvruchtbaar en  ontwikkeld als een snaveltje (rostellum) tussen de helmknop en de vruchtbare stempels; dit snaveltje vormt het hechtschijfje van de stuifmeelklompjes. Onder de stempel ligt de ingang van het spoor waarin nectar wordt afgescheiden.
Als insecten nectar komen halen hechten de stuifmeelklompjes doormiddel van het hechtschijfje aan de kop of het borststuk ban bijen of andere bloembezoekende insecten die de bloem binnendringen. Bij moeraswespenorchis perst het snaveltje kleefstof op de kop of de rugzijde van het bezoekende insect. Bij honingbijen plakken de stuifmeelklompjes aan de kop vast.
Door imkers worden dat horentjes genoemd. Bij wespenorchis zijn deze horentjes tamelijk brokkelig. Als honingbijen met horentjes komen aanvliegen bij de bijenkast, weten imkers dat de bijen orchideeën hebben bezocht. Maar niet alle bijen behouden hun horentjes. Met deze horentjes (stuifmeelklompjes) worden andere bloemen bestoven (bevrucht) het stuifmeel klompje blijft dan op de stempel plakken.
Vaak verliezen honingbijen die wespenorchis bezoeken deze stuifmeelklompjes tijdens de vlucht. Maar op een vierkante meter kan 1 bij tientallen keren nieuwe horentjes opgeplakt krijgen. Een groot deel daarvan wordt wel naar andere bloemen overgebracht. De stuifmeelklompjes die de bijen bij de bijenkast nog aan hun kop dragen zijn afkomstig van de laatste bloemen die zij hebben bezocht. Ook andere kleinere insecten krijgen stuifmeelklompjes opgeplakt. Bij sommige kleine bijen op de rugzijde van het borststuk, de meerdere klopjes vormen dan een gewei-achtige structuur. Dit is onder meer het geval bij kleine groefbijen.
Soms zijn de stuifmeelklompjes in de buurt van de vleugelinplanting opgeplakt waardoor deze bijtjes niet of nauwelijks kunnen vliegen. Het ontdoen van deze stuifmeelklompjes ontaardt soms in een langdurige worsteling. Ook bij vliegen worden de stuifmeelklompjes aangehecht, dat gebeurt eveneens op het borststuk.
In Nederland wordt moeraswespenorchis nauwelijks door insecten bezocht. Deze opmerking is gebaseerd op uitvoerige waarnemingen op Texel, Vlieland, Terschelling, Lauwersmeergebied en botanische en educatieve tuinen (onder meer Buitenpost en Beuningen). Waarnemingen van insectenbezoek komen uit eigen tuin.
 
Platen - Bron links: Carl Axel Magnus Lindman: Bilder ur Nordens Flora; Rechts: Flora Batava, Jan Kops en F. W. van Eeden ------------
 
Bloemen
 
Bloeiwijze
 
Knopstadium
 
Bloem met een overgebracht stuifmeelklompje
 
Een vegetatie met moeraswespenorchis op Texel
 
 
 
Fragment vegetatie in een tuin
 
Aardhommel
 
Honingbij met horentjes
 
Honingbij met horentjes
 
Honingbij met horentjes
 
Honingbij met horentjes
 
Een groefbijtje met een gewei op zijn rug
 
Een groefbijtje met een gewei op zijn rug
 
Een groefbijtje met een gewei op zijn rug
 
Een groefbijtje met een gewei op zijn rug
 
Een groefbijtje met een gewei op zijn rug
 
Een groefbijtje met een gewei op zijn rug
 
Een groefbijtje probeert zich te ontdoen van de stuifmeel klompjes
 
Maar het lukt niet
 
Ook op vliegen en andere kleine insecten blijven de stuifmeel klompjes plakken