Moederkruid-Tanacetum Parthenium -- (Composietenfamilie - Asteraceae)
Bijenplant, drachtplant
Een eenjarige of tweejarige plant
Bloeiperiode: mei-september
Bloem: lintbloemen wit, buisbloemen geel; bloeiwijze een tuil
Blad: blad enkel tot dubbel geveerd; de bladslippen afgerond
Vrucht: nootje
Hoogte: 0,3-0,8
 
 
 
 
 
 
 
Milieu en groeiplaats: vochtige en vochthoudende, voedselrijke, zandige tot kleiachtige bodems en stenige substraten; op open gronden en in ruige vegetaties, in stadsplantsoenen, onder heggen, in boomspiegels, op verhardingen tegen muren, op braakliggende terreinen en in rommelhoekjes; zon-licht beschaduwd.
Herkomst en verspreiding in Nederland: een tuinplant uit Zuidoost-Europa verwilderd en vrij algemeen.
Fauna: wordt vooral in bijenrijke habitats door wilde bijen bezocht; daarbuiten (zeer) weinig.
Toepassing: tuinen, tegel- en geveltuinen; zaait zich sterk uit.
Beheer: bodem open houden.
Wilde solitaire bijen:
  Tronkenbij Heriades truncorum  
  Wormkruidbij Colletes daviesanus  
  groefbijen Lasioglossum  
  Bloedbijen Specodes  
Dracht: nectar en stuifmeel. Indicatie voor dracht: hb1 (die bij een bijenvolk hb3).
 
Plaat - (Flora Batavia Jan Kops et al.)
 
Plant
 
Blad
 
Bloeiwijze
 
Bloem
 
Toepassing
 
Fragment
 
Tronkenbij
 
Tronkenbij
 
Tronkenbij
 
Tronkenbij
 
Groefbij
 
Groefbij
 
Bloedbij
 
Honingbijen