Toepassing van zaadmengsels voor tweejarige planten en andere ruderale planten
De zaadmengsels zijn zoveel mogelijk gerelateerd aan de bodems van "spontane/natuurlijke" ruderale plantengemeenschappen. Als individuele plant heeft een plantensoort meestal meer ecologische speling. Zolang er geen concurrentie is, kan een plant op meer bodems groeien dan in de tabel aangegeven. In de overzichtstabel staan meer planten die als experiment aan zaadmengsels kunnen worden toegevoegd. Een van deze soorten is bijvoorbeeld Grote kaardenbol, die in ruderale plantengemeenschappen sporadisch voorkomt, maar wel op allerlei niet te droge, te zure of te voedselarme bodems goed kan groeien.
 
Tweejarige planten tussen wal en schip

Zaaien is makkelijk, maar het in stand houden van de begroeiing die men beoogt, valt niet altijd mee. De bodem voor akkeronkruiden moet jaarlijks worden omgewoeld, grasland moet één of twee keer per jaar worden gemaaid. Vegetaties met tweejarige planten of bloemrijke ruderale begroeiingen vallen eigenlijk tussen wal en schip. Ze moeten minstens twee jaar de tijd hebben om zich te ontwikkelen.

 
Aanleg en alternatieven voor te zware (zeeklei, komklei), te natte of te zure (veen) grond
Op tuingrond die niet te sterk van de opgegeven bodemtypen afwijkt, kunnen vrijwel alle planten die in de mengsels worden genoemd, groeien. De grond moet mineraal zijn; dus geen zwarte grond of veen.
Op te zware of te vochtige grond, kan van stapelstenen (oude stenen en/of puinresten) ook een verhoging in de vorm van een plantenbak worden gemaakt of een soort rotstuin met grote vakken. In de winter mag de grondwaterspiegel niet minder zijn dan 40 cm onder het maaiveld. Een plantenbak van ca. 0, 5 m hoog houdt de grond redelijk droog. Om de grond droger te maken zou op de bodem een vloer van stenen gelegd kunnen worden, om vocht uit de bodem toe te laten, moet er enige ruimte tussen de stenen zijn (1-3 cm). Te humusrijke zandgrond kan met zand worden vermengd.
Om belasting van het milieu tegen te gaan, moet zoveel mogelijk met afvalpuin en grond uit eigen tuin of omgeving worden gewerkt.
 
Oppervlakte
Om de soorten als vegetatie of als plantengemeenschap tot hun recht ta laten komen is een redelijke oppervlakte noodzakelijk. Rozetten van sommige planten kunnen 80 cm Ø bereiken, 30 tot 40 cm Ø is normaal. Een deel van de rozetbladen kan wel worden verwijderd, maar dan nog kunnen er van toortsen bijvoorbeeld 5-7 planten per m2 tot hun recht komen. Voor enige variatie is minimaal 10 m2 gewenst. Op open plekken kunnen eenjarige soorten worden ingezaaid of uitgeplant
 
Zaadmengsel en zaden van afzonderlijke soorten
Een groot deel van de soorten kan ook als solitaire plant worden toegepast, maar verdwijnt vaak na een jaar al uit beeld, als er geen ruimte is voor nakomelingen. Gevallen zaden hebben ruimte en licht nodig om te ontkiemen en vooral om tot rozetten te kunnen uitgroeien. Dus zonder ruime open plekken geen nieuwe planten.
 
Overblijvende(vaste) planten
Een groot aantal planten is overblijvend en hoeft niet te worden omgewoeld; ze kunnen beter met rust worden gelaten. Deze planten moeten op een strategische plek worden uitgezaaid of aangeplant. In de zomer mogen ze niet achter de andere planten verdwijnen, maar mogen ook niet te veel schaduw geven. Kiemplanten van de meeste tweejarige planten hebben veel zon nodig.
 
Beheer/onderhoud
Buiten het "natuurlijke" milieu zijn er geen natuurlijke factoren die successie tegen gaan. Grassen en andere planten zullen de tweejarige soorten zonder meer verdringen. Alleen zwarte toorts zal stand houden. Als deze plant aanslaat, kan hij vooral in tuinen zo dominant worden, dat de andere tweejarige planten voor het grootste gedeelte zullen worden verdrongen. Vooral op oppervlaktes die kleiner zijn dan 20 tot 30 m2 moet zwarte toorts in de gaten worden gehouden.
De enige manier om vegetaties met tweejarige soorten goed in stand te houden, is om steeds de bodem te verstoren. Op grote oppervlaktes is dat vaak geen probleem. Vooral voor 1995-2000 kwamen de meeste bloemrijke vegetaties met tweejarige soorten voor op en bij spoorwegemplacementen. Daar was altijd bedrijvigheid. Er werden bielzen opgeslagen, containers verplaatst, wissels gemaakt en er werden allerlei werkzaamheden verricht die de grond kaal maakten of waarbij de grond werd omgewoeld.
In de duinen zijn vegetaties met tweejarige planten vaak het gevolg van recreatieve activiteiten zoals paardrijden, wandelen en andere aciviteiten waardoor de grond open blijft. Ook door aanleg, onderhoud en verbreding van paden kunnen er bloemrijke vegetaties ontstaan die een aantal jaren kunnen stand houden.
Een meer "natuurlijke" bijdrage worden geleverd door begrazing. De bodem wordt op bepaalde plekken zodanig vertrapt en bemest dat soorten van ruderale plantengemeenschappen er zich kunnen vestigen en zelfs kunnen standhouden. Langs de rivieren is vooral de kracht van het stromende water een belangrijke factor. Hier is nog een lange rij aan toe te voegen.
Hoe vertalen we dat naar de praktijk van kleinschalige projecten zoals tuinen, volkstuinen en tijdelijk braakliggende terreintjes binnen de bebouwde kom?
Er moet een rommelplan worden gemaakt. Er moeten steeds open stukken bodem ontstaan. Dit is vooral een kwestie van creativiteit. Op kleine stukjes grond zal men handmatig al dan niet met klein tuingereedschap het beheer moeten uitvoeren.
 
Gefaseerd verstoren
Een meer traditionele oplossing is: twee plekken voor ruderale begroeiingen, die bij toerbeurt om de twee jaar grotendeels worden kaal gemaakt. Bij toerbeurt wordt de ene plek gedomineerd door eenjarige, al dan niet, akkerplanten; de andere plek door tweejarige soorten. Het is wel zaak om de wortelonkruiden bij ieder omwoelbuurt te verwijderen. Geef de overblijvende planten een vast te plek. Als de planten gaan kwijnen is een lichte bemesting gewenst. Bij verzuring van de bodem kan met schelpengruis worden bemest, ook als je het niet zeker weet. Schelpen staan heel geleidelijk kalk af. Dat zal nauwelijks tot ongewenste effecten lijden.
 
Ongewenste dominantie van gewenste soorten
Enkele soorten van de overblijvende planten kunnen zich sterk uitbreiden en overheersen dan andere vooral tweejarige soorten. Dat zijn: zwarte toorts, boerenwormkruid en zeepkruid (niet genoemd in de zaadmengsels). Boerenwormkruid wortelt oppervlakkig en is gemakkelijk onder controle te houden; zwarte toorts maakt diepe penwortels die kunnen worden uitgestoken of uitgegraven; zeepkruid kan zich explosief uitbreiden en wortelt tussen allerlei andere dingen: dat kunnen wortels zijn van vaste planten, bomen en heesters, maar wortelt ook tussen en onder de stenen van de bestrating.
 
Bastaardering voorkomen als dat ongewenst is
Als je een zaadmengsel koopt is het beter om van de sterk bastaarderende soorten één soort te kiezen. Dat is vooral van toepassing op toortsen en teunisbloemen.