Bodemeigenschappen van ruderale plantengemeenschappen
Hier worden de voornaamste bodemeigenschappen genoemd. Voor details wordt verwezen naar Schaminée et al. (1998)
Algemene kenmerken
Sterk verstoorde gronden. Vaak gronden die zowel door mensen als door natuurlijke krachten zijn verplaatst. Ze staan onder invloed van schoksgewijze aanvoer van voedingsstoffen. Dat kan door , overstroming of erosie zijn, maar ook door dierlijke meststoffen: uitlaten van honden, mestvaalten, begrazing door schapen, runderen en paarden. Het gaat dus zowel om mechanische als chemische verstoring.
Het zijn minerale bodems: zand, leem, löss, zavel, lichte (rivier)klei en krijt gronden. Deze kunnen gemend zijn met ander grof materiaal, grind, bouwafval.
Gemiddeld zijn de bodems droog tot lichtvochtig, vaak kalkrijk tot kalkhoudend, humusloos tot humus arm.
In het algemeen leidt bodemverstoring tot een dominantie van planten die vaak of meestal weinig worden gewaardeerd, bijvoorbeeld: akkerdistel, kweek, grote brandnetel en kleefkruid, maar ook begerenswaardige planten die we graag in de tuin hebben groeien in hoofdzaak op gestoorde gronden.
Waar komen deze plantengemeenschappen voor: langs rivieren en kanalen in de kustprovincies, spoorwegterreinen, tot voor 2000 heel veel rond oude en in bedrijf zijnde steenfabrieken; stortplaatsen, op en rond oude ruïnes, braakliggende terreinen, industrie- en haventerreinen, verwaarloosde tuinen, braakliggende akkers etc.
 
De kleuren corresponderen met de bais tabel en de zaadmengsels. De zaadmengsels zijn gebaseerd op de nummers in de gekleurde hokjes.
A - Verbond van kleverig kruiskruid (Stadmengsel)
1 Sterk doorlatende humusarme tot humusloze en meestal kalkhoudende zandgrond; vaak vermengd met stenig materiaal
2 Droge tot iets vochtige humusarme grond: grind of gruisrijk zand of zavelgronden. De grond is bijeen geschoven of bijeen gespoeld.
B - Kaasjeskruid-verbond (Mengsel voor dorpsflora)
3 Onder meer bij mest en afvalhopen en op plekken die met houtsnippers zijn bedekt.
4 Gronden die sterk onder invloed staan van dieren, onder meer langs heggen en afrasteringen, trottoirs, parkeerplaatsen, heel vaak hondenuitlaadplaatsen; kleine weilandjes bij huis waar schapen en geiten grazen en vaak een of meer paarden of koeien verblijven.
5 Zeer stikstofrijke, basische, kalk- en humushoudende min of meer droge tot iets vochtige gronden. Onder meer langs bosranden en houtwallen, spoorwegterreinen, braakliggende terreinen in stedelijk gebied. Was vooral in het verleden kenmerkend voor het zeedorpen landschap en de Midden-Europese dorpsflora. Ook deze plekken staan vaak onder invloed van dieren, maar aanzienlijk minder dan onder nummer 4.
C - Verbond van distels en ruwbladigen (Duinmengsel)
6 Droge min of meer voedselrijke, kalkhoudende tot kalkrijke, (zwak) humushoudende, zandige bodems. Deze bodems zijn recentelijk mechanisch verstoord en weer enigszins tot rust gekomen; ze blijven vaak een tijd (jaren) lang open.
D - Wormkruid-verbond (Mengsel met boerenwormkruid)
7 Droge tot matig vochtige, humusarme, basenrijke omgewerkte of verplaatste grond.
8 Kalk- en stikstofrijke droge zand en zavelgronden op zonnige plaatsen langs de grote rivieren die in de winter geregeld en soms in de zomer (2013) overstromen.
9 Zandige, min of meer droge tot iets vochtige, kalkhoudende, matig voedselrijke zandgrond. Vooral in wegbermen, langs kanalen en spoorwegen, ook vaak langs akkers en braakliggende terreintjes.
Bronnen
Voor bovenstaande tekst en tabel is gebruik gemaakt van:
Schaminée, J,H,J., E.J. Weeda, V. Westhoff, 1998. .De vegetatie van Nederland deel 4: kust en binnenlandse pioniermilieus. Opulus press.
De zaadmengsels zijn onder meer ook gebaseerd op eigen onderzoek van spoorwegterreinen tussen 1980 en 1996 en daarna als stadsecoloog en het onderzoek naar wilde bijen dat daar uit voortvloeide.
  Terug