LEGENDA: Beheertyp: P+Mu ----- G ----- R ----- V ----- W ----- B&S --- Milieu: Vocht ----- Licht ---- Voedselrijkdom
Planttypen: Kruidachtige ----- Houtige ----- Cham, Geof, Hele, Hemi, Hydr, Phan, Ther ------ Maten en Kleur
Fauna: Hb1-5 ----- W.bij, hom, Vlin --- Toepassing Tuin, rots, etc.---- Zintuigpl -----WB -----
KL: kleine tuin minder dan 6 breed en 6 lang/diep.
OBG: De voornaamste soorten die worden toegepast (aangeplant of uitgezaaid) in openbaar groen.
NF: inheemse plant of uitheemse soort die minstens al enkele decennia is ingeburgerd. (let op veel zaden en planten zijn van exotische herkomst en is dan niet inheems meer)
(NF): oorsponkelijk inheems of in vorige eeuwen ingeburgerd maar thans uitgestorven of zeer zeldzaam, maar vaak wel in de handel.
Rex: een min of meer recente exoot.
TP: tuinplant/sierplant/ soms ook landbouw gewas.
Agr: In hoofdzaak een landbouwgewas
Gr: een groente of keukenkruid
Planttypen van kruidachtigen

Eenjarig: doorgaans soorten die in hetzelfde groeiseizoen ontkiemen, bloeien, zaad vormen en vaak voor de winter afsterven.

Tweejarig: maken het eerste jaar meestal een bladrozet waarmee ze overwinteren en bloeien pas het tweede jaar; hebben vaak een penwortel.

Vaste plant: meestal planten die in het tweede jaar na uitzaaien bloeien en zich door middel van hun wortelstokken of penwortels instandhouden en uitbreiden. Sommige vaste planten zijn kortlevend en houden het midden tussen een tweejarige en een vaste plant, andere houden het meer dan 75 jaar vol op dezelfde plek. De meeste vaste planten moeten na verloop van 5 of 10 jaar worden verplant of anders worden bijgemest.

Bol: is min of meer te zien als een vaste plant. Een bol bestaat uit verschillende lagen (rokken). Het is een soort knop die in de grond overleeft; een goed voorbeeld is een ui.

Knol: een massief, rond, onregelmatig, knolachtig gevormd ondergronds deel van de plant waarop zich ogen bevinden waaruit plantenstengels ontstaan; is het beste te vergelijken met een aardappel of een krokusknol.

Kuipplant: meestal planten die niet winterhard zijn en vaak te groot voor een grote bloempot. Het zijn planten die als kuipplant een paar meter hoog of breed kunnen worden, maar in de vrije natuur in het land van herkomst tientallen meters hoog kunnen worden. Het overgrote deel van deze planten is zeer vorstgevoelig en staan daarom in de winter binnenshuis of in een kas.
Groenblijvende planten: planten die 's winters min of meer groen blijven, bij matige vorst kunnen veel planten hun blad verliezen of bruin blad krijgen. Vooral op plaatsen waar in de winter oosten en noordoostelijke winden vrij spel hebben.
 
 
 
 
Planttypen van houtigen

Halfheester: houdt het midden tussen een vaste plant en een heester; de stengels sterven niet volledig af en lopen in het groeiseizoen opnieuw uit. De stengels zijn te vergelijken met jonge twijgen van heesters en zijn noch kruidachtig noch houtachtig.

Dwergheester: houtige planten die meestal niet groter worden dan ongeveer 50-60 cm. Sommige langzaam groeiende soorten worden ook wel als dwergheester verkocht, maar kunnen in een periode van 50 jaar toch nog tot twee of drie meter hoog worden.

Heester: meestal houtige planten die vanaf de grond of net boven de grond vertakt zijn en geen centraal doorlopende stam hebben.

Bomen: officiele definitie ontbreekt. In de praktijk meestal een overblijvend houtig gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm op een hoogte van 1,30 m boven het maaiveld. Bomen hebben meestal een centrale stam, maar kunnen van nature of door beheer meerstammig zijn.
Klimplant: kruid- of houtachtige planten met zeer lange slappe stengels, die opgaande structuren (heesters, bomen, muren, pergola's, etc.) gebruiken om in verticale richting te kunnen groeien.
Kuipplant: meestal planten die niet winterhard zijn en vaak te groot voor een grote bloempot. Het zijn planten die als kuipplant een paar meter hoog of breed kunnen worden, maar in de vrije natuur in het land van herkomst tientallen meters hoog kunnen worden. Het overgrote deel van deze planten is zeer vorstgevoelig en staan daarom in de winter binnenshuis of in een kas.
Groenblijvende planten: planten die 's winters min of meer groen blijven, bij matige vorst kunnen veel planten hun blad verliezen of bruin blad krijgen. Vooral op plaatsen waar in de winter oosten en noordoostelijke winden vrij spel hebben.
 
 
 
 
 

Levensvoorn

Omdat in de vakliteratuur de begrippen een- en tweejarig, vast, overblijvend en dergelijke steeds meer verdwijnen, wordt voorafgaand aan de hoogtemaat ook de afkorting van de levensvorm volgens het systeem van Raunkiaer gegeven. Deze levensvormen zijn gebaseerd op aanpassingen van de plant aan het ongunstige jaargetijde, dat wil zeggen de plaats van de overlevingsorganen tijdens die periode ten opzichte van het aardoppervlak.

Cham: Chamaefyt: plant met overwinteringsknoppen tot een hoogte van maximaal 50 cm boven het maaiveld; in de praktijk vaste planten met bovengrondse, bodembedekkende uitlopers, halfheesters en dwergheesters.

Geof: Geofyt: landplant met overwinteringsknoppen onder de grond; planten met bollen, knollen en wortelstokken.

Helo: Helofyt: moerasplant wortelend in de onderwaterbodem en met overwinteringsknoppen onder water; oever- en moerasplanten.

Hemi: Hemicryptofyt: plant met overwinteringsknoppen op of direct onder de grond; de meeste vaste planten en twee- tot meerjarige soorten; de twee- tot meerjarige soorten vaak met overwinterende bladrozetten.

Hydr: hydrofyt: waterplanten; meestal in het water zwevend.

Phan: Phanerofyt: plant met overwinteringsknoppen minimaal 50 cm boven het maaiveld; bomen en struiken, houtige lianen.

Ther: Therofyt: plant die het ongunstige seizoen als zaad overleeft; meestal eenjarige soorten; de meeste soorten sterven voor de winter af; de winterannuellen kiemen in de nazomer of herfst en overleven de winter als rozet.

 
 
 
 
 

Hoogte en breedte en kleur

Wordt gewoonlijk in meters opgegeven

Houtige planten:

h: hoger dan breed

hh: duidelijk hoger dan breed

b: breder dan hoog

bb: duidelijk breder dan hoog

x: geen duidelijk verschil in hoogte en breedte.

Kruidachtige planten

breedte-hoogteverhoudingen opgegeven: bijvoorbeeld b2/3 betekent dus de breedte is 2/3 x de hoogte.

 
Kleuren: de kleuren worden globaal aangegeven. Rood is roodachtig, etc.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Vochtigheid bodem
Nat: bodems die langdurig, meestal in het winterhalfjaar, onder water staan en in de zomer vochtig of drassig blijven waardoor zuurstoftekort in de wortelzone kan optreden. In de zomer kan de gemiddelde grondwaterstand tot 80 cm zakken.
Zeer vochtig: staat tussen nat en vochtig in
Vochtig: bodems die ook rond de zomerperiode vochtig blijven of in het winterhalfjaar een relatief hoge grondwaterstand hebben. Hierbij wordt verondersteld dat de capillaire werking niet is verstoord. In de winter kan het grondwater minder dan 40cm diep zitten, in de zomer kan dat oplopen tot 1,20m.
Vochthoudend: bodems die in de zomerperiode niet helemaal uitdrogen, maar voor de planten nog voldoende vocht kunnen vasthouden; dit kan het geval zijn bij leem-, löss-, zavel- en kleigronden. Bodems die dus voldoende leem- en kleideeltjes bevatten. Verder ook humushoudende bodems. Deze categorie wordt ook gebruikt (vooral voor de uitheemse soorten) voor bodems, die min of meer tussen droog en vochtig in staan; vooral met betrekking tot de grondwaterstand in de winter staan ze meer bij de droge bodems; kijkend naar de groei van de planten neigen ze in het groeiseizoen meer naar de vochtige bodems.
Droog: min of meer droog: bodems die rond de zomerperiode (mei-september) niet of nauwelijks vocht bevatten en bovendien een lage grondwaterstand hebben. In de praktijk is dit puur zand, leemarm zand en bodems waar de capillaire werking is gestagneerd. In het winterhalfjaar is de grondwaterstand gemiddeld dieper dan 40 cm; in de zomer dieper dan 1,20m.
 
 
 
 
 
 
Voedselrijkdom
Voedselarm/schraal: productie drooggewicht lager dan 4 ton per ha jaar.
Voedselrijk/matig voedselrijk: tussen 4 en 8 ton. Heeft meestal betrekking op tuinen
Voedselrijk - zeer voedselrijk: tussen de 8 en 12 ton; ruigte op vochtige tot natte voedselrijke bodems: tot 15-20 (30) ton per jaar.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Lichtcondities

zon: het grootste deel van de dag volle zon.

zonnig: volle zon afgewisseld met relatief korte periodes met schaduw.

Beschaduwd/halfschaduw: een mix van zon een schaduw bijvoorbeeld doordat de planten zijn afgeschermd door goed lichtdoorlatende bomen; in ieder geval geen permanente schaduw of slagschaduw op het grootste deel van de dag.

Schaduw: in hoofdzaak schaduw, maar in het overgrote deel van de gevallen geen donkere schaduw; plekken waar de zon niet schijnt maar het wel redelijk licht is.

tb: tijdelijk beschaduwd. Veel planten groeien in de volle zon, maar verdragen korte tijd (1-2 uur) schaduw zonder dat dit ten koste gaat van de bloei.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Fauna

Opmerking insectenbezoek: alle kwalificaties (Hom, W.bij, Hb en Vlin) hebben betrekking op eigen waarnemingen. Dit heeft steeds betrekking op eigen waarnemingen van foeragerende insecten. Voor vogels zijn ook gedeeltelijk literatuuropgaven gebruikt. Veel andere plantensoorten worden waarschijnlijk wel door de betreffende insecten bezocht, maar dat is in het onderzoek niet waargenomen. De aanwezigheid van bijen en vlinders is van veel factoren afhankelijk. Dat honingbijen meer zijn waargenomen dan andere insecten heeft te maken met klimatologische omstandigheden, aanwezigheid van imkers en het aantal dieren. Zie "Plantenvademecum".

hom: hommels

w.bij: veelal solitaire wilde bijen

hb: honingbijen

vlin: dagvlinders.

n: nectar

p: stuifmeel (p=pollen)

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 

Frequentie bezoek honingbijen

Hb0: de planten worden door honingbijen bezocht voor nectar en/of stuifmeel, maar er zijn te weinig waarnemingen voor een indicatie.

Hb1: honingbijen meestal in kleine aantallen waargenomen, meestal bij kleine aantallen of individuele planten. De meeste van deze planten zullen intesiever worden bezocht als ze in grote aantallen bijelkaar staan (bij voorbeeld als landbouw of tuinbouwgewas) en als bijenvolken in de naaste omgeving aanwezig zijn.

Hb2: honingbijen zijn vaak afwezig, incidenteel druk bevlogen; wordt in de omgeving van de bijenstand waarschijnlijk regelmatiger en intensiever bevlogen. (Er zijn inmiddels goede indicaties dat deze groep in de buurt van een bijenstal onder Hb3 of Hb5 vallen)

Hb3: honingbijen regelmatig in grote of kleine aantallen aanwezig.

Hb4: intensief bezoek van honingbijen is minstens eenmaal waargenomen.

Hb5: goed tot zeer goed en meestal constant bevlogen.

De gegeven waarden hebben alleen betrekking op het bezoek aan de bloemen, maar zegt niets over het nectar- en stuifmeelleverend vermogen van de bloemen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Toepassingen

TUINEN
Tuin: het gaat hier om planten, vaak wilde, die in tuinen of in een tuinachtige omgeving, zoals parken, kunnen worden toegepast. Het begrip tuinen moet ruim worden opgevat. De meeste kruiden en kleinere bomen en struiken kunnen ook in relatief kleine tuinen worden gebruikt.
Inh: hieronder worden inheemse planten genoemd die in tuinen kunnen worden toegepast
Uit: hieronder worden uitheemse planten genoemd die in tuinen kunnen worden toegepast
Tegel- en geveltuin: zeer kleine tuinen tot max. 1m breed en tot enkele meters lang, vaak niet breder dan een stoeptegel of klinker. Deze bevinden zich tegen het huis, onder het raam of naast de voordeur. De planten die hier worden genoemd kunnen op een zeer kleine open ruimte groeien. Zie Plantenvademecum.
Rotstuin: rotstuin is hier gebruikt voor stenige en vrij droge milieus; deze planten kunnen ook in tegeltuinen worden toegepast.
Heggen: het begrip heggen is hier min of meer beperkt tot losse heggen en afscheidingsgroen. Het gaat hier om heggen en afscheidingsgroen met een ecologische en esthetische functie. Voor bloembezoekende insecten functioneren ze alleen als ze volgens de opgegeven snoeicodes worden gesnoeid (zie Plantenvademecum). Verschillende soorten kunnen gemengd worden toegepast. Veel soorten kunnen ook voor scheerheggen worden gebruikt, maar zijn dan voor bloembezoekende insecten van minder of geen betekenis.
 
 
 
 
 
 

P: Pioniervegetaties. Soorten van:

P0 : brakke bodem

P1: natte, tot (zomer)vochtige, voedselarme, zure/zwak zure bodem

P2: vochtige tot droge, voedselarme, zure/zwak zure bodem

P3: overwegend droge, voedselarme tot iets voedselrijke, zwakzure tot kalkhoudende bodem

P4: overwegend (matig) droge, voedselarme tot iets voedselrijke, kalkhoudende bodem

P5: zomerdroge tot vochthoudende, matig voedselrijke, kalkhoudende bodem

P6: droge tot vochthoudende matig voedselrijke bodem

P7: vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke bodem

P8: natte voedselrijke bodem

P9: vochtige tot droge zeer voedselrijke

P9tr: betreden plaatsen op vochtige tot droge zeer voedselrijke bodem

Pmu: muurvegetaties
 
 
 
 
 

G: graslandvegetaties. Soorten van:

GO: brakke bodem

G1: natte, tot (zomer)vochtige, voedselarme, zure/zwak zure bodem

G2: vochtige tot droge, voedselarme, zure/zwak zure bodem

G3: overwegend droge, voedselarme tot iets voedselrijke, zwakzure tot kalkhoudende bodem

G4: overwegend (matig) droge, voedselarme tot iets voedselrijke, kalkhoudende bodem

G5: zomerdroge tot vochthoudende, matig voedselrijke, kalkhoudende bodem

G6: droge tot vochthoudende matig voedselrijke bodem

G7: vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke bodem

G8: natte voedselrijke bodem

G9: vochtige tot droge zeer voedselrijke

G10: grazige vegetaties met soorten van bos en bosranden

 
 
 
 
 

R: Ruigten. Soorten van:

R0: zilte bodems

R1: natte tot vochtige, voedselarme min of meer zure bodem

R2: vochtige tot droge, voedselarme zure bodem

R3: niet gedefinieerd

R4: overwegend (matig) droge, voedselarme tot iets voedselrijke, kalkhoudende bodem

R5: zomerdroge tot vochthoudende, matig voedselrijke, kalkhoudende bodem

R6: droge tot vochthoudende, matig voedselrijke bodem

R7: vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke bodem

R8: natte matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem

R9: vochtige zeer voedselrijke bodem

 
 
 
 
 
 
 
 

V: Verlandings- en oevervegetaties.Soorten van:

V1: brak water

V2: voedselarm zuur/zwak zuur water

V3: matig voedselrijk water

V4: voedselrijk tot zeer voedselrijk water

V5: zeer voedselrijk water

V6: zeer voedselrijk en organisch belast water

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

W: watervegetatie. Soorten van:

W1: brak water

W2: voedselarm zuur/zwak zuur water

W3: matig voedselrijk water

W4: voedselrijk tot zeer voedselrijk water

W5: zeer voedselrijk water

W6: zeer voedselrijk en organisch belast water

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Bos: bosachtige beplantingen. Soorten van:

Bos 1: natte tot vochtige, arme tot schrale, zure tot zwak zure bodem

Bos 2: vochtige, arme tot schrale, (zure)-zwak zure bodem

Bos 3: droge tot iets vochtige,; arme tot schrale, zure tot zwak zure bodem

Bos 4: vochtige tot droge vrij schrale, maar kalkhoudende bodem

Bos 5: vochtige en voedselrijke bodem

Bos 6: natte, matige voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem

Bos 7: vochtige tot droge, meestal niet zure voedselrijke bodem
 
 
 
 
 
 
 
 
 
(WB) Wettelijk beschermde soorten: Plantensoorten die wettelijk zijn beschermd. Deze planten mogen niet worden verstoord en er mogen geen delen van worden vervoerd. Anders geformuleerd deze planten mogen niet worden uitgegraven of afgeplukt en er mogen geen zaden van worden gewonnen. In totaal zijn 104 plantensoorten wettelijk beschermd, waarvan 47 soorten in deze database zijn opgenomen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zintuigplanten ( ZINTUIGPL): (Arjanke Koster)

Het "Plantenvademecum" is geschreven om de kwaliteit van het landschap op kleine en grote schaal te behouden of te verbeteren. Kwaliteit kunnen we alleen ervaren als we het kunnen waarnemen. Waarnemen doen we met al onze zintuigen. Onze natuurbeleving wordt intenser naarmate onze zintuigen sterker geprikkeld worden. Mensen met beperkte visuele vermogens zullen voor het waarnemen van planten en landschap grotendeels of geheel zijn aangewezen op andere zintuigen. Door de opkomst van therapeutische tuinen voor verschillende doelgroepen beginnen meervoudige zintuiglijke prikkels in tuinen (zien, voelen, horen, proeven, ruiken) een steeds grotere rol te spelen. Zowel voor volwassenen als voor kinderen. Een groot aantal planten, die in deze ontwikkeling een rol kunnen spelen zijn in het "Plantenvademecum" en in deze database als zintuigplant gelabeld.

G = Geur: bijvoorbeeld van lavendel, damastbloem, roos of pas gemaaid (reuk-)gras.

T = Tast: wanneer je letterlijk met planten in aanraking komt, kunnen planten de tast / het gevoel prikkelen. Vooral kinderen gaan graag op onderzoek uit en kunnen zich verwonderen over de zachtheid, ribbels, kleverigheid of stekeligheid van een plant.

S = Smaak: bessen, vruchten, zaden en blad.
E&P: Eet- en proefplanten