Over deze databse  
Deze database bevat plantensoorten die door bijen en vlinders worden bezocht. Honingbijen spelen als metafoor voor de mens-natuur relatie een centrale rol (zie inleiding Plantenvademecum). Waar honingbijen vliegen zijn vrijwel altijd andere bloembezoekende insecten aanwezig.

De database bevat ca. 860 inheemse en 650 uitheemse plantensoorten waarvan er op 1150 plantensoorten honingbijen, op 750 plantensoorten hommels en op 450 plantensoorten andere bijen zijn waargenomen. Op 380 plantensoorten zijn ook foeragerende dagvlinders waargenomen. In totaal heeft de voorgaande betrekking op ca. 1200 plantensoorten. De overige 350 soorten (Zie beheertypen) zijn inheemse plantensoorten, die voor bloembezoek van bijen en vlinders niet of minder van belang zijn, maar een rol spelen in het herkennen van bodemeigenschappen en "natuurlijke" vegetaties en het beheer daarvan.

In deze database wordt het begrip inheems gebruikt. Hiermee worden ook alle planten soorten bedoeld die min of meer zijn ingeburgerd of tot de Nederlandse flora worden gerekend. De grens hiervoor is niet scherp te trekken. Bij sommige van deze soorten wordt de afkorting (uit) is uitheems gebruikt.

 
Opzet database
De database is in drie thema's opgesplitst:

a. Planttype: bomen, heesters, vasteplanten etc.

b. Planten voor: verschillende toepassingen zoals akkerranden, heggen, planten voor bijenhotels etc.

c. Beheertypen: Dit gedeelte is bedoeld voor bestaande min of meer natuurlijke vegetaties en voor ecologische tuinen en parken. Hierin worden ook plantensoorten genoemd die niet door bijen en dagvlinders worden bezocht, maar wel de plantensoorten waar dagvlinders hun eieren op afzetten. De beheertypen spelen ook een rol bij het herkennen van de bodemeigenschappen en het vaststellen van het beheer.

 
Structuur en gebruik van de database

Als men een tuin of park ontwerpt, denkt men meestal eerst in globale termen: bomen, heesters, vaste planten, etc. De bodem bepaalt dan welke soorten er kunnen groeien. Bodemvochtigheid en voedselrijkdom zijn daarbij de voornaamste groeiplaatsfactoren.

Op deze wijze werkt ook de database. Men kiest eerst een planttype en dan de soorten die bij een bepaalde bodem passen. Alle soorten die onder een planttype worden genoemd trekken bijen en/of dagvlinders aan. Per planttype worden er ook afzonderlijke overzichten gegeven van de plantensoorten, die door honingbijen, hommels, andere bijen en dagvlinders worden bezocht. Bij de planttypen die meer dan 100 soorten bevatten, kan ook op kleur worden gezocht.

Voor het ontwerp van ecologische tuinen en parken wordt verwezen naar de beheertypen. Als men de grondsoort kent, geven de beheertypen aan welke soortencombinaties er kunnen worden toegepast of bij een spontane ontwikkeling kunnen worden verwacht . Door natuurtechnische ingrepen kan de variatie in de groeiplaatsfactoren worden vergroot waardoor meer beheertypen van toepassing zijn.
Door opkomst van zorgboerderijen, therapeutische tuinen, zintuigtuinen en natuurbeleven wordt er ook ruim aandacht geschonken aan de plantensoorten die daarbij een rol spelen. Onder ieder planttype en bij de beheertypen kan steeds op zintuigplanten worden gezocht. Hierbij gaat het om geur, tast, smaak en geluid. Het laatste wordt voortgebracht door hommels en honingbijen; vaak ook door zweefvliegen, maar die worden in het Plantenvademecum en op de Cd-rom niet genoemd. Op de zintuigplanten wordt ook afzonderlijk ingegaan.
 
Afbeeldingen genoemde plantensoorten
In de loop van 2011 zal bij ca 90% van alle planten minstens een foto worden geplaatst
 
Legenda en groeiplaatsfactoren
De legenda zal in 2011 worden vereenvoudigd
Voor meer informatie wordt verwezen naar groeiplaatsfactoren. Dit geeft een beeld welke factoren de groei van planten bepalen. Dit is een uiterst gecompliceerd gebeuren. Het gaat hier niet alleen om bodem, water en licht, maar ook om concurrentie tussen planten onderling.
De meeste planten zijn concurrentiekrachtig onder bepaalde ecologische omstandigheden. Als concurrentie door beheer of onderhoud wordt tegengegaan, kan het overgrote deel van de plantensoorten die op deze database en in het plantenvademecum worden genoemd op gemiddelde tuingrond groeien. Dat is vochtige, niet uitdrogende, matig voedselrijke tuingrond. Vooral voor het ontwerp van tuinen is dat van groot belang. De milieufactoren die per plant worden opgegeven moeten worden gezien als een richtlijn. De meeste soorten van droge bodems bijvoorbeeld kunnen ook op vochtige bodem groeien zolang deze niet te voedselrijk en te vochtig zijn. Inzicht in deze kwestie is een zaak van ervaring en groene vingers. De vuistregel is dat de meeste plantensoorten een zekere speling hebben. Een andere vuistregel is dat men plantensoorten van natte tot vochtige bodems niet op droge bodems moet aanplanten. In droge periodes moeten deze dan langdurig worden besproeid. Als dat met leidingwater gebeurt is dat ecologisch onverantwoord.
 
Bepalen bodemeigenschappen
Het sortiment voor nieuw aan te leggen tuinen, parken en andere groene elementen wordt grotendeels bepaald door de bodemeigenschappen. Zie hiervoor de link groeiplaatsfactoren onder www.bijenhelpdesk.nl. Deze link blijft steeds in beeld.
De aanwezige natuurlijke vegetatie en/of (on)kruiden kunnen een belangrijk hulpmiddel zijn om de bodemeigenschappen te bepalen. De beheertypen die ook in deze database zijn opgenomen en uitvoerig op deze Cd-rom worden behandeld kunnen hiervoor worden benut. De kruiden weerspiegelen de eigenschappen van de bodem. In combinatie met een grondboor om de grondsoort en de diepte van het grondwater te bepalen verkrijgt men een redelijk betrouwbaar beeld van de bodemeigenschappen. Alleen dan is deze database zinvol te gebruiken. Voor grotere projecten zijn gedetailleerde bodemkaarten noodzakelijk.