Dode hommels onder zilverlinden
Onder zilverlinde worden vaak dode hommels waargenomen. Aanvankelijk dacht men dat dit kwam door giftige honing, veroorzaakt door het voor insecten giftige Mannose bevattende nectar. Onderzoek van Surholt (1992) heeft uitgewezen dat dit niet door giftige nectar werd veroorzaakt, maar door voedselconcurrentie. De zilverlindes die werden onderzocht trokken grote hoeveelheden insecten aan waardoor voedselconcurrentie ontstond. Bijen die nog zo weinig fitaal waren dat ze geen kans meer hadden op te overleven, werden weer fitaal na bijvoeren met lindennectar.
Toch zien we ook dode hommels in woonwijken met veel tuinen, doorgaans plekken waar honingbijen en hommels redelijk goed tot goed nectar en stuifmeel halen. Het is misschien mogelijk dat de aantrekkingskracht van zilverlinden zo groot is, dat hommels en andere insecten als het ware worden weggezogen van andere voedselplanten. Wilgen en andere bomen hebben ook een sterk aanzuigende werking maar daar worden nauwelijks dode hommels gevonden. Dat zou, indien mogelijk, nader moeten worden onderzocht. Het is speculeren maar het is een aspect waarnaar gekeken moet worden.
Ziverlinde is een van beste hoogzomer drachtplanten voor honingbijen. Toch lijkt het me verstandig om deze boom niet frequent aan te planten en veel meer zomerbloeiende heesters, vaste planten aan te planten en vooral ecologisch groenbeheer te bevorderen. Een overconcentratie van insecten bij zilverlinde wordt dan mogelijk voorkomen.
Zilverlinde is bovendien een exotische soort, voor de totale biodiversiteit is het waarschijnlijk beter om inheemse lindensoorten aan te planten. Zilverlinde hoeft net als vele andere exotische soorten niet te worden uitgebannen, maar moet ook niet (extra) worden gepropageerd.
Literatuur
Surholt, B., B. Denker, T. Baal & W. Mühlen (1992). Ist Silberlindennektar giftig für Hummeln? Ein Video-Prortokoll von Freilandexperimenten. Apidologie 23: 335-337.
Surholt B. & T. Baal (1995). Die bedeutung blühender Silberlinden für Insekten im Hochsommer. Natur und Landschaft 70 (6): 252-258.