Voetnoot & Legenda bij www.drachtplanten.nl

Deze Bijen-/drachtplantenkalender geeft een overzicht van de bloeiperioden van de "voornaamste" drachtplanten voor honingbijen en wilde planten voor wilde solitaire bijen. Vaak zijn de opgegeven planten voor zowel honingbijen als wilde solitaire bijen van betekenis. Vrijwel alle plantensoorten die in dit overzicht worden genoemd worden ook door hommels bezocht. Deze lijst is voornamelijk gebaseerd op eigen onderzoek. In een later stadium zullen meer eigen waarnemingen en ook literatuurgegevens worden toegevoegd. Onder landschapselementen worden ook natuurterreinen genoemd. Veel van deze terreinen liggen binnen de invloedssfeer van de bebouwde kom van waaruit aanzienlijk veel imkers opereren. Misschien is het interessant om daar rekening mee te houden bij het toewijzen van standplaatsen voor bijenvolken.
Op de drachtplantenkalender worden ook plantensoorten genoemd die van grote of minder grote betekenis kunnen zijn voor bijen. Het gaat om planten die vaak als onkruid worden gezien of in de ogen van het publiek vaak te dominant kunnen voorkomen. Bijvoorbeeld akkerdistel, fluitenkruid en zevenblad. Zulke soorten kunnen locaal van grote betekenis zijn voor wilde bijen en moeten met beleid worden gereguleerd.

Iedere plant op de drachtplantenkalender is voorzien van foto's van de plant zelf en meestal van foto's van bijen, vlinders of beide.
Criteria voornaamste planten
Met uitzondering van planten voor wilde bijen zijn geen er geen specifieke criteria geformuleerd om drachtplanten in de bijen-/drachtplanten kalender op te nemen. De lijst is gebaseerd op ervaring en consensus. Het gaat hier om soorten die veelvuldig op "grote" schaal worden toegepast of waarvan praktijkvoorbeelden van grootschalige toepassing. Verder worden er ook wilde plantensoorten genoemd waar wilde bijen geheel of in belangrijke mate afhankelijk zijn. Deze planten kunnen kleine aantallen in een gemeente voorkomen en moeten met de grootste zorgvuldigheid worden beheerd. In principe kan iedere plant grootschalig worden toegepast, maar er is toch een arbitraire keuze gemaakt. Daarnaast zijn er planten die in de openbare ruimte weinig worden toegepast, maar wel frequent in particuliere tuinen zijn aangeplant. Hibiscus is daar een voorbeeld van. De beperkingen van deze lijst wordt ondervangen door het overzicht onder de link: "Bijenplantenkalender: alle drachtplanten"
 
Legenda
De fel geel gekleurde datumvakken hebben betrekking op massadracht in het algemeen. Dus ook buiten openbaargroen. Maar dit moet ook worden gerelativeerd. Een akkeronkruid zoals herderstasje dat niet in deze lijst staat, kan in pas aangelegd agrarisch weiland dominant voorkomen. Honingbijen kunnen hier dan massaal op vliegen. Veel planten worden ook als landbouwgewas, tuinbouwgewas of als bodemverbeteraar geteeld. Deze drachtplantenkalender kan dus ook voor het agrarische cultuurlandschap of natuurgebieden worden gebruikt, maar op dit punt is deze drachtplantenkalender verre van volledig! De gele vakken moeten worden gezien als voorbeeld. Voor een aanzienlijk vollediger overzicht voor tuinbouw- en landbouwgewassen wordt verwezen naar: Hensels, L.G.M. (2000). Bestuiving land- en tuinbouwgewassen door honingbijen. Elsevier, Doetinchem, pp. 96.

Frequentie bezoek honingbijen

Hb0: de planten worden door honingbijen bezocht voor nectar en/of stuifmeel, maar er zijn te weinig waarnemingen voor een indicatie.

Hb1: honingbijen meestal in kleine aantallen waargenomen, meestal bij kleine aantallen of individuele planten.

Hb2: honingbijen zijn vaak afwezig, incidenteel druk bevlogen; wordt in de omgeving van de bijenstand waarschijnlijk regelmatiger en intensiever bevlogen. (Er zijn inmiddels goede indicaties dat deze groep in de buurt van een bijenstal onder Hb3 of Hb5 vallen)

Hb3: honingbijen regelmatig in grote of kleine aantallen aanwezig.

Hb4: intensief bezoek van honingbijen is minstens eenmaal waargenomen.

Hb5: goed tot zeer goed en meestal constant bevlogen.

De gegeven waarden hebben alleen betrekking op het bezoek aan de bloemen, maar zegt niets over het nectar- en stuifmeelleverend vermogen van de bloemen.